Het is Valentijnsdag 1996 en ik zit op mijn bed. Ik schrijf een gedichtje.
Valentijn,
je zat in de trein.
Ik keek je aan,
je keek terug.
Je gaf me een boek,
ik keek je weer aan,
we lachten vlug.
Het eind van de rit.
Je zei alleen “dag”
en ik keek je weer aan
met een vrolijke lach.
Ik
ben elf. Dit allereerste gedichtje schrijf ik over een gebeurtenis van toen ik
een jaar of 8 was.
Mijn moeder en ik zaten in de trein onderweg naar mijn grootouders in
Amsterdam, toen er een vader en twee jongens onze coupé in kwamen. De oudste
jongen was van mijn leeftijd. Ik zat naar buiten te kijken, want ik had niets
meegenomen om me mee te vermaken. Na een poosje gebaarde mijn moeder dat ik op
moest kijken. Ik keek naar het vierzittertje waar de vader en jongens zaten en
zag dat het oudste jongetje snel wegdook. Hij had naar me zitten kijken. Ik
glimlachte. Ik droeg op dat moment een prachtige jurk waar jammer genoeg geen
foto van bestaat. Hij was wit met grote rode rozen en ik had een rood lint om
mijn middel met een mooie strik. Ik voelde me een echt meisje. Even later ging
ik staan, want dan kon ik een beetje wiegen met de jurk. Het landschap gleed
voorbij, de trein raasde langs weilanden, dorpen en grote grijze luchten.
Opeens tikte het jongetje op mijn schouder. Ik draaide me om, hij hield een stripboek
in zijn uitgestrekte hand, ik denk dat het een Donald Duck was. “Dank je wel”,
zei ik en ik ging zitten om door de Donald Duck te bladeren. Welk station het
was, weet ik niet meer, maar op een gegeven moment moesten de vader en de
jongens de trein uit. Ik stond op en gaf hem de Donald Duck terug. “Dag”, zei
het jongetje blozend. “Dag”, zei ik terug. Mijn moeder en de vader wisselden
grijnzend blikken met elkaar uit. Pas jaren laten besefte ik hoe bijzonder dit
momentje was. In ieder geval was dit het onderwerp van het eerste gedichtje van
mijn leven. Inmiddels heb ik er bijna 4600 geschreven.
Het is Valentijnsdag 2026 en ik zit op de bank. Ik schrijf dit tekstje, terwijl mijn dochter van 4 op de grond aan het spelen is. We wachten op haar vader, mijn Valentijn, die onderweg naar huis is. We hebben hartvormige koekjes gebakken. Nu schrijf ik opnieuw een gedichtje, dertig jaar later:
Valentijn,
wat is het toch fijn.
Ik kijk je aan,
jij kijkt terug.
Ons meisje is klein,
het gaat zo vlug.
Een prachtige rit,
een heerlijke dag
en ik kijk je weer aan
met een vrolijke lach.
Liefs, Perla
