Verhaal voor kinderen, huiswerk voor de NHA-cursus Kinderverhalen schrijven.
Cijfer: 10,0
Sokken kwijt
Papa is weer een sok kwijt. Het is een sok met allemaal kleuren. De andere sok zat wèl in de wasmand met schone was.
“Heb jij mijn andere sok gezien?” vraagt hij aan Isabel. Hij houdt de eenzame sok omhoog.
Ze haalt haar schouders op.
“Ik weet niet waar je sok is, papa.”
Daarna vraagt papa aan mama of zij het weet.
“Nee, ik ben zelf ook weer allemaal sokken kwijt, hoor,” lacht mama.
Isabel is ook sokken kwijt. Drie verschillende. Ze is het gewend. Er verdwijnen vaak zomaar sokken de laatste tijd. Soms denkt ze dat mama ze weggooit. Maar dat kan niet. Ook mama heeft een stapeltje ‘eenzame sokken’, zoals ze die noemt. Soms komen de sokken weer tevoorschijn. Niemand weet waar ze dan gebleven zijn.
Vorige week heeft Isabel van haar oma hele mooie sokken gekregen. Er staan Takkies en Siepies op. De Takkies hebben truien aan, de Siepies hebben een sjaal om. Isabel durft ze niet aan te trekken. Dan moeten ze ook weer in de was. Wat als er dan eentje van kwijt raakt?
Isabel laat ze op haar kastje liggen, dan kan ze ernaar kijken. Ze heeft ze alleen even in haar kamer aangetrokken.
Als Isabel na school op haar kamer komt, zijn de sokken weg. Allebei! Ze rent naar beneden.
“Mama, mijn Takkie-Siepie-sokken zijn weg!”
Mama is bezig met schone was opvouwen. Er liggen alweer twee losse sokken op de rand.
“Oh, ik dacht dat die in de was moesten. Ze lagen zo los op je kast.”
Isabel schrikt.
“Ik heb ze nog helemaal niet aan gehad! Ze waren niet vies.”
“Oh. Nou, ze komen straks dan uit de droger,” zegt mama.
Isabel loopt snel naar de droger, die aan het draaien is. Ze tuurt door het glas. Ja, daar ziet ze een van de sokken. Gelukkig.
Ze gaat aan tafel zitten tekenen. Het duurt nog een uur voordat de droger klaar is.
Isabel heeft twee mooie tekeningen gemaakt. Opeens denkt ze aan haar sokken.
“Is de droger al klaar?”
Mama staat in de keuken.
“Ja, ik heb daarnet alles in de mand gedaan,” zegt ze.
Isabel baalt een beetje. Dat had ze zelf willen doen. Dan wist ze tenminste zeker dat alles uit de droger kwam. Ze gaat naar de bijkeuken, waar de droger staat. Voor de droger staat de wasmand met warme was erin. Isabel begint te graven. Al snel vindt ze haar ene Takkie-Siepie-sok. Maar waar is de andere? Opeens houdt ze papa’s verloren sok in haar hand. Dat is gek… Ze gaat verder met zoeken, maar nergens kan ze de tweede sok vinden. Ze blijft beteuterd voor de wasmand zitten. Tóch weer een sok kwijt.
Dan hoort ze een geluidje achter zich. Isabel kijkt om. Naast de deur ziet ze een kabouter! Hij heeft haar andere sok vast en is aan het lachen.
“Hee, dat is mijn sok!” roept Isabel. Ze schrikt er zelf een beetje van. De kabouter ook. Hij stopt met lachen en verdwijnt achter de kast. Mét haar sok. Isabel springt op en trekt de kast naar voren. Er is niets meer te zien. Hoe ze ook kijkt en zoekt, ze ziet geen kabouter en geen sok.
Dan komt mama de bijkeuken in.
“Gaat alles goed hier?”
Isabel houdt haar ene sok omhoog. “Hij is gestolen. Door een kabouter!” roept ze.
“Ah, nee, ze zijn terug. Ik was er al bang voor,” zegt mama zacht.
Dat had Isabel niet verwacht. Ze dacht dat mama haar niet zou geloven.
“Hè? Wat bedoel je?” vraagt Isabel verbaasd.
“Kom,” zegt mama met een zucht, “Ik maak thee en dan vertel ik het je.”
Als er twee bekers thee op tafel staan, begint mama te vertellen.
“Ik was steeds maar sokken kwijt. Papa ook. We snapten er niks van. Op een avond kwam ik de bijkeuken in en toen zag ik een kabouter. Hij was een sok uit de wasmand aan het halen. Ik pakte hem vast. “Waarom steel je mijn sokken?” vroeg ik. Hij was heel bang. Hij vertelde dat hij sokken léénde. De kabouters lenen sokken om in te slapen. Als een soort slaapzakje. Ze vinden het heerlijk. Papa weet dit niet, hij zou het niet geloven. Ze brengen de sokken ook weer terug en ruilen ze voor nieuwe.”
Isabel kijkt mama aan. Dit was geen grapje. Ze had de kabouter zelf gehoord en gezien.
“En toen?”
“Toen zei ik dat ik dat niet wilde. Dat ze moesten stoppen met sokken lenen. De kabouter zei: ‘Sorry’ en dat hij geen sokken meer zou lenen. Het ging toen lang goed. Er raakten geen sokken meer kwijt.”
“Nou, zeg,” zegt Isabel, “Waarom zijn ze dan nu weer begonnen?”
Mama haalt haar schouders op.
“Ik wil mijn sok terug!”
Isabel is een beetje boos. Ze had haar mooie sokken zelf helemaal niet aan gehad. En nu slaapt er een kabouter in.
“Wat moeten we nu doen?”
“Misschien moet jij met hem praten,” stelt mama voor.
Isabel denkt na. De kabouter kwam sokken lenen als de was uit de droger kwam…
Mama en Isabel hebben een plan voor volgende week. Mama zal de was uit de droger halen en dan weggaan. Isabel blijft dan in de bijkeuken zitten. Misschien komt de kabouter dan.
Een week later zit Isabel heel stil naast de kast. Ze kijkt hoe mama de wasdroger leeghaalt.
“Wat een lekkere warme, schone was,” hoort ze mama zeggen, “Nu ga ik koffie drinken, dan kan de was even afkoelen.” Mama knipoogt naar Isabel en gaat de deur door.
Isabel blijft naar de wasmand kijken. Eventjes gebeurt er niks, maar… jawel! Daar komt de kabouter onder de kast vandaan. Met de Takkie-Siepie-sok! Isabel slaat haar hand voor haar mond. Ze maakt geen geluid. De kabouter duwt de sok tussen de warme was. Daarna pakt hij van de zijkant een sok van mama uit de mand. Een zwarte met banaantjes erop. Wanneer de kabouter weer weg wil lopen, zegt Isabel: “Stop!” Meteen stopt de kabouter met lopen. Dan begint hij te rennen, maar Isabel is sneller. Ze grijpt de kabouter vast. Hij laat de sok los.
“Help, help!” roept hij pieperig.
Isabel is streng.
“Stt! Niet piepen nu. Ik wil met je praten.”
De kabouter kijkt haar bang aan. Hij probeert zich los te wurmen.
“Rustig, maar. Niet bang zijn,” zegt Isabel vriendelijk, “Ik ben niet meer boos. Ik heb een idee.”
De kabouter spartelt niet meer. Hij blijft rustig in Isabels handen. Hij heeft een bruin baardje en een rode puntmuts.
“Ik wil mijn lievelingssokken niet kwijt. Maar jij wil erin slapen. Dat gaat niet. Wat als ik elke week een sok voor je klaar leg?”
De kabouter krabt even onder zijn muts.
“Ik wil graag in mooie sokken slapen, met kleurtjes,” piept hij dan.
“Dat is goed. Ik heb veel leuke sokken,” zegt Isabel.
“Schone sokken?” vraagt de kabouter.
“Ja, die gaan vaak in de was. En in de droger. Ik zal elke week een sok voor je neerleggen, hier onder de kast, goed? Een schone. Dan mag je die lenen. En dan leg je hem terug en krijg je een nieuwe.”
De kabouter lacht.
“Ja, graag!”
“Maar dan mag je geen andere sokken meer lenen, hoor,” zegt Isabel.
Hij schudt heel hard zijn hoofd.
“Nee, nee, alleen de leensokken van jou. Bedankt, bedankt!”
Isabel zet de kabouter weer op de grond. Hij pakt mama’s bananen-sok die hij heeft laten vallen en geeft die aan haar terug.
“Welke mag ik nu lenen?” vraagt hij blij.
Isabel grabbelt in de wasmand en trekt er een van haar eigen rood-wit gestreepte sokken uit.
“Hoe vind je deze?” Ze geeft de sok aan de kabouter.
“Geweldig! Bedankt, bedankt.”
Hij pakt de sok aan en zwaait naar haar. Dan loopt hij naar de kast. De kabouter verdwijnt. Alsof hij door een onzichtbare deur loopt.
Isabel trekt de sokken die ze aan heeft meteen uit. Ze gooit die in de wasmand, grabbelt naar de Takkie-Siepie-sok en haalt de andere van boven. Ze trekt de sokken aan.
“Kijk eens, mama,” zegt ze, terwijl ze de keuken in loopt. Ze wijst naar haar voeten.
“Is het gelukt?” vraagt mama glimlachend.
“Ja! Ik leg elke week een sok voor de kabouter neer. En hij leent niks anders.”
“Nou, dat hoop ik dan maar. Want kijk eens wat er in de post zat?”
Mama geeft Isabel een grote envelop. Snel kijkt ze erin. Er zitten sokken in. Het zijn sokken met allemaal gekleurde hartjes. ‘Voor Isabel, van tante Aimée’ staat er op het kaartje.
“Wat leuk! Maar deze mag de kabouter nog niet lenen. Ik wil ze eerst zelf aan.”
23/1/25

